Een Santegoets aan de galg ?!!!!! Een uitvoerig verslag

Inleiding
De diefstal
De eerste ontsnapping
De tweede ontsnapping
Gevangene in Dalenbroek
Verhoor en terechtstelling
Epiloog

De betekenis van de voetnoten […] is te vinden bij Generatie 10. Vak zijn deze voetnoten tegelijkertijd ook een link naar het betreffende document op internet.

Inleiding

Dit verslag bestaat grotendeels uit de weergave van de processtukken die in de archieven bewaard zijn gebleven. Vele zijn via internet toegankelijk en waar dat het geval is hebt ik een link bijgevoegd zodat men via Wifi ook zelf de betreffende akte kan raadplegen.

Het Nederlands van 1750 is anders dan onze huidige taal. Om het lezen te vergemakkelijken heb ik hier en daar een kleine aanpassing gedaan. Bijvoorbeeld gebruikt men voor “linnen” ook soms het woord “linde”, dat heb ik dan vervangen door linnen. Of men schrijft “doen” als wij “toen” gebruiken. Ook is de zinsbouw anders, hier en daar heb ik woord [hij] toegevoegd om de zin beter te laten lopen. Een aantal woorden worden nu niet meer gebruikt, daarvoor voeg ik hier een woordenlijst toe en geef ik soms ter plekke nog een “vertaling”.

Woordenlijst

annoteren
apparentie
apprehenderen
apprehensie
aufugeren
authoriseren
blijk, blijkerije, bleijk
cesseren
cinseer, cinsere
condescenderen
condigne straffe
confessie
consenteren
costumen
de post
declatoir
decreteren
deponent
devoiren
drossaard, drossard
emportantie
evadeeren
examen
examinatie
examineren
executeren
extraderen
geresolveert
impenderen
institueren
lijwaat
persisteren
praelecture, prelecture
reclameren
requeste
requirant
responsive
reverentie
rijs, reijs
scholtis, schout
aantekenen, noteren
waarschijnlijkheid
gevangen zetten
gevangenneming, gevangenschap
verdwijnen, ontsnappen
machtigen, toestaan
bleek (waar de was gebleekt wordt)
vervallen, ophouden
eerlijke
toegeven, zich schikken in
gepaste straf
bekentenis
goedkeuren, inwilligen, toestemmen
gewoonterecht
in tweede instantie, naderhand
verklaring
afkondigen, beslissen, besluiten
persoon die verklaring aflegt
moeite
ambtenaar belast met gerechtelijke taken en het handhaven van de openbare orde
belangrijkheid
ontsnappen
verhoor, ondervraging
onderzoek
onderzoeken ondervragen,
uitvoeren
uitleveren
vastbesloten
kosten maken, geld uitgeven
instellen
kleed, stuk linnen
bij zijn verklaring blijven
voorlezing
aanspraak maken op, terugvorderen
verzoekschrift (nul op request!)
vragende persoon, eiser
op schrift gesteld antwoord
eerbetuiging
keer, reis
ambtenaar belast met gerechtelijke taken en het handhaven van de openbare orde.

Adriaan, de hoofdpersoon in dit drama, is geboren in 1728 in Boxtel als oudste zoon van Aert Santegoets en Hubertina van Mierlo. In 1749 trouwt hij in Boxtel als 21-jarige met met Adriana van de Mosselaer. Dat is ongebruikelijk jong. In september 1750 wordt een zoon geboren maar die overlijdt binnen een maand. In februari 1752 volgt dochter Wilhelma. Het gezin leeft in grote armoede, hetgeen mogelijk de reden was van de diefstal die gepleegd is.

De diefstal

Het verhaal begint in juli 1752 [221] wanneer Marcelis Jan Goossens, regerend schepen en linnen fabrikant in Boxtel, aangifte doet van diefstal van een stuk linnen in de nacht van 7 op 8 juli van de bleek op zijn terrein achter het Vrouwen Gasthuis aldaar,

Verklarende al verders dat zijne blijkerije aan de gemeene passage off straat is afgesloten en aan de naastgelegene lande met slooten of heggen is omgeven, eijndigende hij deponent hier meede zijne cinseeren enne in waarheijt gegevene verklaringe en heeft na aandagtige prelecture bij dezelve gepersisteert en heeft daar op aan handen van den heere requirant den gewone en behoorlijke eed afgelegt met de woorden zoo waarlijk helpe mij God Almagtig.

De drossaard, Jan Bowier geheten, maakt er meteen werk van en weet het stuk linnen nog diezelfde dag op aanwijzing van Adriaan Santegoets terug te vinden in een sloot in de buurt van Adriaans huisje. Kennelijk was van meet af aan duidelijk dat Adriaan de schuldige was en werd hij meteen gearresteerd en verhoord [222]:

Mijne heeren schepenen deser Baronnije van Boxtel, door den heere drossard Bowier heden mondeling hebbende hooren examineren en ondervragen den persoon van Adriaan Santegoets inwoonder alhier, over ende ter saake dat den selven Santegoets zig in de gepasseerde nacht niet soude ontsien hebben om van seekere bleijkerije binnen dese Baronnije te steelen een stuk lijwaat, zulx mede te nemen en omtrent desselfs huijsinge alhier onder Onrooij in een sloot onder het waater te verbergen, van waar het door den heere drossard ten overstaan van heere schepene commissarissen op aanwijsinge van hem Santegoets is weg gehaalt.

Alle het welke den voorszegde. Adriaan Santegoets bekende conform de waarheijt te sijn, waarop den heere drossard versoekende decretatie van gedaane apprehensie  op ende ten lasten van den voornoemde Adriaan Santegoets, ten eijnde tegens den zelve tot condigne straffe voort te procedeeren.

Mijn heeren schepenen, op alles wel geleth hebbende, decreteren de gedane apprehensie op ende ten laste van Adriaan Santegoets.
Actum binnen dese Baronnije van Boxtel, heden den agsten julij 1700 twee en vijftigh.

De schepenen geven hiermede dus aan de drosaard toestemming om Adriaan gevangen te zetten. Echter, er is geen gevangenis gebruiksklaar, dus wordt hij onder bewaking in het kasteel van Boxtel gehuisvest, terwijl ondertussen de gevangenis in de kelder van het kasteel van Boxtel wordt klaar gemaakt.

Hij wordt uitgebreid verhoord en dat gebeurt in opdracht van de drossaard door de zogenaamde schepenen comissarissen. De drossaard noteert een aantal vragen op de rechterhelft van de bladzijden van een boek, met voldoende tussenruimte, en de antwoorden van de verdachte worden links genoteerd. De vragen zijn genummerd zodat gemakkelijk op een vraag kan worden teruggekomen. Voorbeeld:

Het eerste verhoor vindt plaats op 13 juli en de drossaard heeft 16 vragen genoteerd [223]:

Examen gedaan ter instantie van den Wel Ed. Gestr. heer J. Bowier aan den persoon van Adriaan Santegoets, gevangene alhier.

Art. 1
Des gevangenes naam, ouderdom en woonplaats aff te vragen.


2
Wat hij gedetineerde voor ambagt off handwerk heeft gedaan om sijn bestaan van te hebben.
3
Bij wat voor menschen en waar hij sedert eenige tijd herwaarts heeft gewerkt.

4
Off hij gedetineerde sig niet in staat bevind om op een eerlijke wijse de cost te konne winne.

5
Off hij gedetineerde niet een soopie schenkt off tapt.

6
Wat voor personen bij hem waren komen drinken.



7
Off hij gedetineerde niet tusschen vrijdags en saterdag laast leden, sijnde geweest den 7 en 8 julij deses jaars 1752 in de nacht is gekomen op zekere blijk [= bleek] alhier tot Boxtel Binnen.

8
Hoe hij gedetineerde op die blijk is gekomen dewijl deselve met heg omsloten en met slote omgraven is.










9
Off hij gedetineerde van die selve blijk niet heeft mede genomen en gestolen een stuk linnen.

10
Off hij gedetineerde dat selve stuk linnen niet omtrent sijne huijsinge in een sloot onder het water heeft verborgen.

11
Wat hem gedetineerde aanlijding heeft gegeven tot het plegen van die diefstal.

12
Off sulks de enigste en eerste dieffstal is dewelke hij gedetineerde heeft begaan.

13
Of sijn gedetineerde vrouw geen bewusthijd off kennisse had dat hij het stuk linnen had gestolen.

14
Off hij gedetineerde allenig is geweest in het uijtvoeren van bovengenoemde dieffstall.

15
Om wat redenen hij gedetineerde op die blijk agter het gasthuijs ging stelen daar hij veel gemakkelijker op de groote blijk van den vorster Thobis had kunnen komen.

16
Off hij gedetineerde op dezelve manier weder van de blijk alwaar het stuk linnen had gestolen is affgekomen op de straat, evenals op de  zelve soo als voors. was gekomen.

Compareerde voor de ondergetekende schepenen deser Baronnij van Boxtel, Adriaan Santegoets, gevangene binne dese Baronnije van Boxtel, de welke op ijder Art. heeft geantwoort soo ende gelijk bij de zelve geannoteert staat.

Den gevangenen antwoort: genaamt te sijn Adriaan Santegoet, out ontrent drie en twintig jaar en binne dese Baronnije van Boxtel woonagtig te sijn onder den hertgang van Onrooij.

Den gevangenen antwoort: sig met boere werk geneert te hebben.

Den gevangenen antwoort: sedert eenige tijt herwaarts te hebben gewerkt bij de kinderen Hendrik Teulings en bij Willem en Jan van de Loo

Den gedetineerde antwoort: te dunken van ja.



Den gedetineerde antwoort: ja, sulks drie weken herwaarts off daar ontrent gedaan te hebben.

Den gedetineerde antwoort: des sondaags en hijligen daags eenige naabuuren bestaande onder anderen in Tonie Tra, Cornelis Snellies, Francis Schalks en meer andre.

Den gedetineerde antwoort: ja.





Den gedetineerde antwoort: gekomen te zijn op de houte brug voor de huijsinge in erve bewoont werdende bij Simon Tobis, vervolgens onder de leuning door gekropen en om het hek om geklommen, alsoo op de kant gekomen tegens het huijs vindende aldaar het clijne hekje ongesloten, daar door gegaan sijnde naar den tuijn en het hekje van de tuijn open vindende, daar ingegaan tot agter in den hoek alwaar [hij] een pad in den heg vond, waar door hij bequamelijk konde heen kruijpen en door behulp van hout en pluksel dat aldaar in de sloot lag, door de selve sloot is doorgegaan en op den bovengenoemde blijk gekomen.

Den gedetineerde antwoort: ja.



Den gedetineerde antwoort: ja.




Den gedetineerde antwoort: een duivels ingeven.



Den gedetineerde antwoort: sulks het eerste en enigste te sijn geweest.


Den gedetineerde antwoort: zijn vrouw daar geen kennisse van gehad te hebben.


Den gedetineerde antwoort: sulks alleen gedaan te hebben.


Den gedetineerde antwoort: daar geen redenen van te weten.



Den gedetineerde antwoort: ja.



Adriaan ondertekent het verhoor met een kruisje, hij is kennelijk de schrijfkunst niet meester:

Twee weken later heeft de drossard nog 21 vragen bedacht en die worden op 28 juli 1752 aan Adriaan voorgelegd [224]:

Off sulx dan nog was in deselve nagt dat hij gedetineerde het beursje met gelt van den blinde had gestolen.Naader examen gedaan ter instantie van den Wel Ed. Gestr. Heer J. Bowier, drossard, aan den persoon van Adriaan Santegoets, gevangene alhier.

Art. 1
Off hij gedetineerde niet heeft gekent Jan van den Haselenberg over eenige jaren gewoont hebbende onder Onrooij.

2
Off hij gedetineerde niet dikwils daar aan huijs pleeg te komen het sij uijt buurtschap off andersints.

3
Off hem gedetineerde niet kennelijk is dat voor eenige jaren aldaar eens dieven off quaat volk op den dag in huijs waren geweest en eenig gelt hadden gestolen terwijl de menschen aan ’t arbeijden in ’t veld op den akker waaren.

4
Off hij gedetineerde niet zelfs den dieff is geweest die daar in huijs was gekomen.

5
Off hij gedetineerde niet en kent de weduwe Claas van de Laarschot wonende onder Casteren.

6
Off hij gedetineerde bij deselve somtijds niet wel aan huijs is geweest en wat daar verrigte off deedt.

7
Off hij gedetineerde aldaar niet wel heeft gesien seekere blinde man die daar gelogeert was.

8
Off hij gedetineerde op seekere avont omtrent den vaste in den jare 1748 of 1749 niet is geweest ten huijse van voors. weduwe van Laarschot en dat die voorgenoemde blinde man naar bed off slaapplaats sag gaan.

9
Off hij gedetineerde niet in die selven avont of naght na dat hij goet had gesien waar die blinde man sijn broek had gelegt, deselve broek heeft weten magtig te worden en een buijltje of sakje met eenig gelt uijt deselve broek te haalen.



10
Hoedanig off op wat wijse hij gedetineerde die broek bequam off magtig wierde.

11
Om wat voor redenen hij gedetineerde een gat van buijten in het strooij dak van dat huijsje heeft gebrooken.



12
Off sulx dan nog was in deselve nagt dat hij gedetineerde het beursje met gelt van den blinde had gestolen.

13
Off hij gedetineerde door dat gebroken gat in het dak de broek van den blinde man niet heeft weten te bekomen en dat het voorgesegde op art. 9 onwaarheijdt is.

14
Off hij gedetineerde dat gestolen beursje met gelt des anderen daags avonds voors. in huijs heeft ter needer geworpen en daar op is weg gegaan.

15
Wat redenen hij gedetineerde had om dat gelt wederom te brengen.

16
Om wat redenen hij gedetineerde bij vorige examen op art. 12 heeft geantwoort dat het diefstal aan het stuk linne begaan de eerste en enigste was die hij gedetineerde ooijt soude gepleegt hebben.

17
Off hij gedetineerde het stuk linne na laastelijk van den bleijk gestoolen, ook niet voornemens was wederom te brengen.

18
Off hij gedetineerde niet al dikwils wanneer ietwes genomen of gestolen had sulx aan den luijden wederom heeft gegeven.

19
Off hij gedetineerde niet al van jongs af aan een liefhebber is geweest van te vrijen en met jonge maats te verkeeren in herbergen als anders.

20
Waar hij gedetineerde het gelt bequam om soodanigh leven te konnen voeren.

21
Off hij gedetineerde alles conform de waarheijt heeft geantwoort.

Compareerde voor de ondergetekemde schepenen deser Baronnije van Boxtel Adriaan Santegoets, gevangene binnen dese Baronnije van Boxtel dewelke op ijder Art. heeft geantwoort soo ende gelijk bij de selve geannoteert staat.


Den gedetineerde antwoort: ja.




Den gedetineerde antwoort: daar niet dikwils plag te komen.


Den gedetineerde antwoort: ja, sulx wel te hebben hooren seggen.





Den gedetineerde ontkent desen articul.



Den gedetineerde antwoort: jaa.



Den gedetineerde antwoort: daar wel aan huijs te sijn geweest en aldaar te sijn gekomen om te vrijen met de vastenavondt.

Den gedetineerde antwoort: ja.



Den gedetineerde antwoort: wel te weten op seekeren avondt aldaar te sijn geweest sonder precise te kunnen seggen in wat voor jaar en dat te dier tijd den blinde man naar bed sag gaan.


Den gedetineerde antwoort: sulx niet te hebben gesien, maar de broek gevonden te hebben leggende op ’t lijff van voors. blinde, in deselve na  tabak soekende een buijtje of een beursje met gelt heeft gevonden en daar mede op de stoel is gaan sitten om daar uit te stoppen, dan gewaar wordende dat ’t gelt was, ’t selve beursje of buijltje in sijn hant heeft gehouden en daar mede de deur is uijtgegaan.

Is alsoo hier voor beantwoort.



Den gedetineerde antwoort: sulx gedaan te hebben om daar door het selve beursje of buijltje met geldt wederom in huijs te werpen, dan dat hij het selve beursje daar niet door en wierp om dat hij gedetineerde bevreest was dat dan ’t voors. beursje niet mogte gevonden worden en om redenen de lamp bereijds uijt was.

Den gedetineerde antwoort: ja, dat sulx nog was in deselve nagt.



Den gedetineerde antwoort: door dat gebroken gat de broek niet gekregen te hebben en dat conform de waarheijt is het antwoort op art. 9


Den gedetineerde antwoort: ja.




Den gedetineerde antwoort: om dat [hij] niet van sin was ’t selve te houden.


Den gedetineerde antwoort: om dat sijne biegtvader hem soude gesegt hebben dat sulx geen dieverije nogte hij geenen dieff en was.



Den gedetineerde antwoort: ja.




Den gedetineerde antwoort: neen, alsoo geen diefstalle meer heeft begaan.



Den gedetineerde segt dat hij al dede gelijk een ander.




Den gedetineerde antwoort: sulx met sijn arbeijt te hebben verdient.


Den gedetineerde antwoort: ja.

Het is duidelijk dat de drossaard probeert om Adriaan nog enkele andere diefstallen te laten bekennen, maar Adriaan doet zich voor als de vermoorde onschuld, die steeds probeert om spullen die per ongeluk in zijn zak terecht kwamen, weer terug te geven aan de eigenaar.

Een dag na dit verhoor roept de drossaard bovengenoemde weduwe van Laarschot als getuige op   [225]. Zij verklaart

waar en waaragtig te wesen dat den persoon van Adriaan Santegoets ten haaren huijs is geweest op seekeren avond en tot in de nagt verbleven (voorgevende bij haar deponente te willen vrijen) omtrent den vasten van den jaare 1748 of 1749.
Dat te dier tijdt bij haar deponente was gelogeert seekere blinde man met naame Willem van de Laarschot (thans overleden) de welke dien selven avondt terwijl voorgenoemde Santegoets zig ten haare huijse bevond, na sijn bed off slaapplaats was gegaan, dat die blinde man des morgens daar aan uijt desselfs broek de welke hij bovenop desselfs lijff had gelegt, vermiste een sakje off beursje met geld.
Dat sij deponente niet kan seggen wie sulx uijt desselfs broek heeft genomen, dan dat sij deponente op die morge dat voors. blinde man zulx vermiste, boven desselfs slaapplaat heeft bevonden en gesien een gat in het strooijen dak te sijn gebrooken, waar door men bequamelijk met eenen arm konde reijken tot op het bed van den blinde voorschreve.
Dat den avond daar an volgende het selve beursje off buijltje met geldt door haar wederom is gevonden aan off omtrent haar deponentes deur, zonder dat sij deponente weet wie sulkx daar heeft gebragt.
Verklarende de deponente seer wel bewust te zijn dat soo lange voors. Adriaan Santegoets ten haren huijse zig bevont, altoos bij deselve present is geweest en dat sij den selven niet aan ’t bed van den blinde heeft gesien.
Eijndigende sij deponente hier mede dese haare cinsere en naar waarheijt gegevene verklaringe en heeft naar aandagtige praelecture daar bij gepersisteert, hebbende daar op in handen van den heer requirant den behoorlijken eed afgelegt met de woorden soo waarlijk mogte God Almagtig helpen.

Het lijkt wel duidelijk dat Adriaan probeerde het geld te stelen, maar uit wroeging of uit angst ontdekt te worden, het beursje weer heeft teruggegeven.

De eerste ontsnapping

Omdat er geen bruikbare gevangenis voorhanden is heeft de drossaard [241]

de gevangene [voor] den tijd van 3 weeken laaten bewaken, tot tijd en wijlen het gevangenhuis binnen genoemde Baronije zoude zijn bequaam gemaakt.

Op 29 juli is de gevangenis in de kelder van het kasteel klaar en wordt Adriaan daar ondergebracht.

Kasteel Stapelen in Boxtel

Echter,  in de nacht van 30 op 31 juli weet Adriaan te ontsnappen. Hierover worden de nodige verklaringen afgelegd. Op de eerste plaats verklaren Jacob Ploeser en Jacobus Schalks, beijde dienaars der justitie alhier [226],

waar ende waaragtig te sijn als dat zij deponenten op zaturdag tegens den avondt zijnde geweest den 29e julij deses jaars in de gevangekelder op ’t casteel alhier en hebben overgebragt, den persoon van Adriaan Santegoets ende den selven in presentie van den heere drossaard vast geslooten met het regter been in een boeije aan een sufficante [= voldoende stevige] ketting de welke met een zware kram in het deurkosijn was vast geslaagen.
Verders verklaren de twee eerste deponenten den zelven op zondag zijnde geweest den 30e julij aldaar nog van spijs en drank te hebbe versorgt en denselve gevangene gezien te hebbe.
Dat vervolgens des maandagsmorgens om agt uuren den eerste deponent door den rentmeester Tijbosch ontbooden zijnde wegens suspicie [= verdenking] die denselve had op het vinde van planken bezijden een brug van het casteel. Bij de gevangene kelder gekomen zijnde de deuren behoorlijk geslooten heeft bevonden, dezelve geopent hebbende, den gevangene aldaar niet heeft gevonden maar na examinatie heeft gesien dat de kram waar mede den gevangene met de voorgenoemde ketting vast was gemaakt, aan het hout was afgebrooken.

Dat het cosijn waar door de lugt en dag[licht] in de kelder komt binnenwaarts was uijtgebrooken en waar door den gevangene moet uijtgesprongen zijn in de graft van het casteel, het gene den selve waarschijnlijk zonder behulp van buijten onmogelijk met soodanige zwaare ketting als andere omstandigheid heeft konnen verrigten.
Voorts verklaren de drie deponenten ten eersten alle mogelijke devoiren [= moeite] te hebben aangewendt omme den voorgenoemde Adriaan Santegoets te agterhaalen, dog den selven nog te niet wes van hem kunnen ontdekken.
Eijndigende sij deponenten hier mede dese hunne cinceere en naar waarheijd gegevene verklaringe ende hebben naar aandagtige praelecture daar bij blijven persisteeren, gevende voor reedenen van welwetendheijdt het gedeponeerde hun seer wel en in versche memorie en geheugen te sijn.

De gevangenis in de kelder had kennelijk boven in de buitenmuur een raamkozijn voor licht en lucht (met tralies zoals we later lezen), dat door Adriaan er uit is getrokken. Ook de schepenen komen een kijkje nemen en verklaren [227]:


als dat wij op maandag zijnde geweest den 31 julij deses jaars ons hebben vervoegt op het casteel alhier, ten eijnde te visiteeren en examineeren de gevangene kelder aldaar, waar uijt was komen te ontvlugten den persoon van Adriaan Santegoets.
En is ons na alle naauwkeurige examinatie voorgekomen, dat de voorszegde gevangene van buijten hulpe moet sijn toegebragt om te kunnen evadeeren [= ontsnappen], als zijnde waarschijnlijk zonder dat onmogelijk van te ontkomen en hebbende met zig genomen de ketting waar aan [hij] was geslooten geweest. Immers is dezelve in de gevangenisse niet gevonden.


Een jaar later, als hij weer is opgepakt en uitgeleverd aan Boxtel, komt men bij het verhoor nogmaals terug op deze ontsnapping. Nadat men alle vragen heeft gesteld en de antwoorden genoteerd, wordt alles nog eens voorgelezen en krijgt de gevangene de kans om e.e.a. te bevestigen of te corrigeren. Dat staat dan onder “de post’” hetgeen zoveel wil zeggen als “in tweede instantie”. Waarschijnlijk heeft men hem de wacht aangezegd toen hij in de eerste ronde nagenoeg overal op antwoordde dat hij het niet wist. Zelfs dat hij in Boxtel gevangen had gezeten zegt hij niet te weten. Bij de antwoorden “in tweede instantie” laat hij dan wat meer los [231].

Art. 1
Off hij gevangene niet bewust is dat [hij] alhier meermaals en wel tot twee rijsen [= keren] is gevangen geweest en in kelder op ‘t casteel heeft gezeeten.

Art. 2
Op wat wijsen den gedetineerde de eerste maal uijt die gevankenisse is ontkomen, zijnde geweest tusschen 30 en 31 julii des voorledene jaar 1752.

Art. 3
Op welke wijze en waar ter plaatse hij van de ketting waar aan hij in die gevangenis geslooten was zig heeft ontdaan en wie hem daar inne behulpelijk is geweest.

Art. 4
Zo den gedetineerde eenige andere plaats noemt daar de ketting is quijt geraakt dan te vragen hoe hij op die plaats is gekomen.

Art. 5
Off hij ook eenige hulpe heeft gehad om de eerste maal te ontkomen en zo ja, de zelve te noemen en waar in bestaan heeft.

Art. 6
Zo hij ontkent eenige hulpe gehad te hebben dan te vragen hoe off wat wijze hij gedetineerde de kram waar aan de ketting was, heeft hem stuk gekreegen en waar mede hij het cosijn off raam met tralijwerk heeft uijtgebroken en zo eenige instrumente noemt dan te vragen hoe hij dezelve bekomen heeft.

Art. 7
Wat hij gedetineerde verrigten als wanneer het cosijn off raam uijt was gebrooken. Zo den gevangene zegt daar door weg te zijn gegaan te vragen na de wijze off manier op welke zulks heeft gedaan.

Art. 8
Hoedanig hij gedetineerde wanneer [hij] buijten de gevankenis was verder van ’t casteel is ontkomen en hoe laat het omtrent was.

Art. 9
Over welke brugh hij gevangene is wegh gegaan, op wat manier off de brugh nedergelaten off opgehaalt was en off hem geen menschen van kennis zijn tegen gekomen waar mede hij gesproken heeft.


De gevangene zegt zulks niet te weten.
De post: de gevangenen antwoort ja.



De gevangene antwoort sulks niet te weten.
De post: de gedetineerde antwoort dat [hij] het raam heeft uijtgetrokken.


De gevangene antwoort sulks niet te weten.
De post: de gevangenen segt de ketting tot Uden quijt te sijn geworden, dog niet te weten wie hem daar in behulpelijk is geweest, dog gelooft dat een smit was.

Dit art. comt te cesseren [=vervallen].
De post: de gevangene segt aldaar te voet na toe te sijn gegaan.


De gevangene zegt geen hulp gehad te hebbe en ook niet te weten dat gevangen is geweest alhier.
De post: de gevangene segt geen hulp gehad te hebbe.


De gevangene antwoort daar niet aff te weten.
De post: de gevangene antwoort op het eerste lit zulks niet te weten en op het twede het selve met sijn hemden daar uit getrokke te hebben.




De gevangene antwoort als voor.
De post: de gevangene segt als doen in het water te sijn gesprongen, niet te min betuigende op de affvraging dat hij gevangene niet kan zwemmen


De gevangene antwoort als voor.
De post: de gevangene antwoort dat gelooft over een plank te sijn gegaan, dog niet te weten hoe laat het was.


De gevangene antwoort als voor.
De post: het eerste lid segt de gevangene niet te weten en het twede lid beantwoort hier voor en soo meend [hij] dat de brug nog opgehaalt was en geen menschen gesien te hebben.

Enige tijd later komt men in het verhoor hier nogmaals op terug [233]:

Art. 20
Alzo den gevangene [op] Art. 2, 3, 4 in voorigh examen van den 13e deser bekent heeft als dat [hij] tuschen den 30e en 31e julij des voorledene jaars uijt de gevangeniss op het casteel alhier door het uijttrekken van de raam is ontkomen, vervolgens te voet naar Uden gegaan [is] en aldaar van zijne ketting waar mede hij in die gevangenis was gesloten geweest, is los geholpen, te vragen hoe lang hij zig daar na nog wel te Uden heeft opgehouden en waar naar toe hij verders is gegaan.

21
Off hij gevangene niet wederom is gevangen geworden binnen de Heerlijkheijt Gemert ofte jurisdictie van dien op den 8e september deses jaars 1753.

22
Om wat voor saak off bij wat voor toeval hij aldaar geapprehendeert is geworden.

23
Off zulks niet is geweest wegens begaane dieverijen.
Zo [hij] ja zegt, dan te vragen waar in die bestaan hebben.

24
Waar mede hij gevangene zig heeft geneert om zijn koste te winnen ’t zeedert dat [hij] alhier uijt de gevankenis was ontkomen ende tot Gemert geapprehendeert wierd, op wat plaatse en bij wie zig al heeft opgehouden inzonderheijt te doen uijtdrukken.


33
Dewijlen den gevangene bekent is en beleden heeft dat alhier in de maand julij 1752 is gevangen geworden om wat reden hij gevange is.

34
Op wat wijsen hij in de gevangenis is gekomen.


37
Off hij gevangene na sijne eerste ontkominge off uijtbraak der gevankenisse alhier niet eenige tijt tot Venrooij heeft gewoont.

38
Hoe lang en tot wat tijd hij gedetineerde daar heeft gewoont.

39
Om wat voor saak hij gedetineerde van daar is vertrokken.

40
Off hij gevangene zig ook niet wel somtijts te Mill in ’t Land van Cuijk heeft opgehouden.

41
Bij wie hij gedetineerde daar gelogeert heeft.

42
Om wat tijd hij laastmaal aldaar is geweest.


43
Waarnaar toe hij van daar is vertrokken.

44
Off dat waarheijt is zo als den gevangene voor geeft, dat tot Amsterdam in Holland is geweest.

45
Hoedanig hij gedetineerde die rijs heeft genomen.


46
Wanneer off om wat tijdt van ’t jaar zulks is geweest.


47
Hoe lang hij gevangene zig te Amsterdam heeft opgehouden, bij wie en waar gelogeert was.


48
Wat hij gedetineerde aldaar wilde verigten.

49
Off hij gevangene zig van Amsterdam wederom na Haendel onder Gemert heeft begeven.

50
Off hij gevangene niet korte dagen na zijne komste aldaar en wel op 8 september jongstleeden is gevangen geworden op genoemde plaats.

51
Wat voor kleederen den gevangene te dier tijdt aan heeft gehad.

Camisool (herenjajse)

52
Off den gevangene in dezelve kleeren waar mede hij gevangen was genomen, alhier niet andermaal in de gevankenis op ’t casteel is gestelt.
————————-
59
Den gevangene werd gevraagd hoe hij geld bequam om op die rijs te bestaan.

60
Waar ter plaatse en bij wie den gevangene heeft bevonden des nagts tusschen de sondag en maandag na Lieve Vrouw Hemelvaart ofte den 19e en 20e augustij deses jaars.
—————–
64
Dewijle de gevangene Art. 59 wel antwoord hoe aan geld is gekomen tot zijn reijs na Aken, word hem ook aff gevraagt hoe hij aan geld tot zijne Amsterdamse rijs is gekomen.

65
Den gevangene Art. 60 gevraagt zijnde waar ter plaatse en bij wie zig heeft bevonden des nagts tusschen de sondag en maandag na Lieve Vrouwe Hemelvaart zijnde te weesen 20 augustij deses jaars, en den gevangene daar op geantwoort hebbende zulks niet te weeten en geen plaats te kunnen noemen waar zig opgehouden heeft, zo werd den gevangene afgevraagt off hij in die genoemden nagt niet een diefstal heeft begaan ten huijse van Nel Pluck onder Mill, breeder gementioneert in Art. en responsive. 41e zo neen, off hij gevangene eenige bewustheijt off kennisse van dien gepleegde diefstal heeft.

66
Ofte voorsz. diefstal geen oorzaak van zijne rijs na Amsterdam is geweest waar den gevangene na gevraagt is in Art. 44, 45, 46, 47, 48 en 49 ten eijnde de goederen aldaar bedekte te kunnen verkopen.


De gevangene segt niet te weten hoe lang hij sig tot Uden heeft opgehouden en ook niet te weten waar hij van daar is naar toe gegaan.








De gevangene segt sulks niet te weten.




De gevangene segt als voor.



De gevangene antwoort sulks niet te weten. Dan gevraagt sijnde off hij niet was Adriaan Santegoets, waar op de gevangene antwoort: ja.


De gevangene antwoort niet te weten wat hij voor de koste gedaan heeft in dien tijd en vergeten te sijn waar [hij] sig al heeft opgehouden.





De gevangene antwoort sulks niet te weten.




De gevangene segt sulks niet te weten, dog wel te weten dat hij in dat vertrek agter de deur van de Raad kamer alwaar een trap staat, heeft geseten gehad, op welke deur hij gevangenen op het verhoren deser was wijsende.


De gevangene antwoort: ja




De gevangene antwoort sulks niet te weten.



De gevangene antwoort: om dat hij geen ontlastbrieff en hadden en hem door de heeren aldaar daarom geordonneert wierd om daar te vertrekken.

De gevangene antwoort: ja



De gevangene antwoort aldaar gelogeert te hebbe bij Nel Pluk, wiens man genaamt is Herman.

De gevangene antwoort daar laastmaal gelogeert te hebben en van daar te sijn gegaan op de eerst Lieve Vrouwenavond, sijnde geweest den 14e aug. 1753.

De gevangene antwoort van daar te sijn gegaan naar Haandel.

De gevangene antwoort: ja.



De gevangene antwoort te sijn gegaan van Haandel op Uden, op Megen, over Cuijk en door het Stigt en stad van Utrecht en soo op Amsterdam.

De gevangene segt naar dat hij tot Haandel sig twe à drie dagen sedert sijne comste van Mil hadde opgehouden, die rijs heeft aangenomen.

De gevangene antwoort sig aldaar vier à 5 dage te hebbe opgehouden en gelogeert te hebbe bij ’t eijnde van de Engelsche Gang in de Meijerij, bij de Nieuwe Botermarkt.

De gevangene antwoort daar naar toe te sijn gegaan om te willen werken.

De gevangene antwoort sig van Amsterdam weder naar Haandel onder Gemert te hebben begeven.


De gevangene antwoort: ja




De gevangene antwoort aangehad te hebbe een bruijn lakens camisool, daar onder een blaauw en wit gestreepte borstrok met tinne knopen daar aan, een leeg blaauwe broek, witte wollen cousen en schoenen met riemen sig toebindende en ook een blaauwe keel daar over welke alhier is verbleven [ten] tijden sijner ontkoming.




De gevangene antwoort: ja, behalve de keel.




De gevangene segt van een schepen genaamt Martien tot Ovenrooij een quartje ontfangen te hebben en daar de rijs mede voortgeset te hebbe.

De gevangene antwoort sulks niet te weten en geen plaats te kunnen noemen waar [hij] sig heeft opgehouden op die tijd.



De gevangene antwoort het geld soo hier en daar met werken verdient te hebben en voor de rest daar niet van te weten.



De gevangene antwoort daar geen dieffstal gedaan te hebben, nog ook niet te weten wie aldaar een dieffstal soude hebben gepleegt.











De gevangene antwoort: neen.


Voor zover we Adriaan inmiddels kennen heeft hij ongetwijfeld weer de nodige leugens verteld en heeft hij de genoemde diefstallen gepleegd.

De tweede ontsnapping

Uit bovenstaande informatie krijgen we een beeld waar Adriaan zoal geweest is in de periode van 31 juli 1752 tot 8 september 1753 toen hij Gemert gevangen werd genomen. Het lijkt er sterk op dat hij inderdaad door middel van diefstal aan de kost kwam en niet door te werken.
De drossaard haalt hem op in Gemert en zet hem weer gevangen in de kelder van het kasteel van Boxtel. Vorster Simon Tobias en de gerechtsdienaar Jacobus Ploeser [228]

hebben getuijgt en verklaard waar ende waaragtig te sijn als dat sij deponenten in presentie van den heere requirant op den twaalffde september 1700 drie en vijfftig tegens den avondt tusschen vijf en ses uuren in de gevangene kelder op het casteel van Stapelen hebben ingebragt de persoon van Adriaan Santegoets, de welke eenige dage te vooren was geapprehendeert tot Gemert, dog door den heere requirant gereclameert [opgeeist] sijnde, van daar door den heere requirant en haar deponenten ten dage boven was afgehaalt.
Dat sij deponenten den voornoemde gevangene in de voorschreven kelder met bijde voeten hebben gelegt in een boom off langen blok en vervolgens den boom met een slot gesloten [hebben], den sleutel van voornoemt slot overgevende aan den heere requirant, waarop sij deponenten met den heere requirand na de binnen en buijten deur van voornoemde kelder behoorlijk gesloten te hebben, sijn heenen gegaan.
Dat den twede deponent den voorn. gevangenen des daags daar aan, sijnde den dertiende september des jaars voorzegd van eeten en drinken heeft weten besorgen en ook gesien [heeft] als dat [hij] nog in dien boom gesloten lag.
Dat hij tweede comparant op den veertiende september 1700 drie en vijfftig des morgens vroeg tusschen halff ses en ses uuren is gegaan naar voornoemde kelder, de buijten en binnen deur behoorlijk gesloten vindende, dog de gevangene in die kelder niet gevonden heeft, alhoewel den boom nog gesloten was gelijk boven gemeld en waar van de sleutel ook nog bij den heere requirant was berustende.
Dat hij tweede deponent vervolgens na examinatie hadde gesien dat het cosijn waar door de lugt en dag in die kelder komt, binnenwaarts was uijtgebroken en waar door den gevangenen moet uijtgesprongen sijn in de gracht van het bovengenoemde casteel en dus sijne gevangenis ontkomen te wesen.
Dat hij tweede deponent hier van aanstonds kennisse heeft gegeven aan hem heere requirant na dat hij de binnen en buijten deur van voornoemde kelder weder hadde gesloten.
Eijndigende sij deponenten hier mede hunne cinsere en naar waarhijd gegevenen verklaringe ende hebben naar aandagtige praelecture daar bij blijven persisteren, gevende voor redenen van welwetenhijd het gedeponeerde hun seer wel in versche geheugen te wesen.

Ook de schepenen en de secretaris van Boxtel komen poolshoogte nemen en verklaren [230]

als dat wij op vrijdag sijnde geweest den veertiende september 1700 drie en vijfftig ons hebben vervoegt op den castelen van Stapelen alhier ten eijnde te visiteren en examineren de gevangene kelder aldaar, waar uijt was comen te ontvlugten de persoon van Adriaan Santegoets, dat wij al daar gekomen sijnde hebben gesien dat den boom off langen blok behoorlijk met een slot gesloten was en verder bevonden dat het cosijn waardoor lugt en dag in die kelder komt binnenwaarts was uijtgebroken.
Eijndigende wij dese onse naar waarheijd gegevene verklaringe alsoo het ons al nog in goede geheugen is.

In october wordt bovenstaande nogmaals bevestigd:[229]

Wij, ondergetekende schepenen deser Baronnije van Boxtel, verklaren bij desen …als dat den persoon van Adriaan Santegoets op den twaalffde september 1700 drie en vijfftig alhier gevangen is geset geworden, dog op den veertiende september 1700 drie en vijfftig sijne gevangenisse [heeft] weten te ontkomen. In kennisse der waarhijd dese ten prothocolle nevens onsen secretaris ondertekent …

Het zal duidelijk zijn dat de drossaard behoorlijk pissig was dat zijn gevangene hem ten tweede malen ontsnapt was. Bij een verhoor in november worden ook over deze ontsnapping nog enkele vragen gesteld [231]:

Art. 10
Op wat wijze hij gedetineerde tusschen den 13e en 14e september laastleden andermaal de gevankenis op ’t casteel alhier is ontkomen en zulks omstandig te beschrijven zo wederom van instrumente off …hoedanig hij die had bekomen en waar in bestaan hebben.


Art. 11
Hoe laat het omtrent in de morgenstont was als uijt de gevankenis ontquam, off de wagt al was affgetrokken en hoe hij zulks wiste.

Art. 12
Off hij in die nagt niet heeft gesprooken met de wakers die de wagt hielden en zo ja, wie dat het soude.


Art. 13
Zo op voorgaande Art. neen zegt off dan de wagt niet op hun post tegens over het gat waren daar hij doorgekomen is.


Art. 14
Off de wakers off eenige van dien ook kennise hadde van zijn uijtbreeken en zig daarom maar stil hielden, zo ja, wie zijn begunstigers zijn geweest.

Art. 15
Off hem geene van de wakers hebbe gezien wanneer hij gevangene uijt het gat is gekomen.

Art. 16
Zo neen dan te vragen off hij gevangene ook niemant van dezelve heeft gezien ofte domistique
(= personeel) van ’t casteel off andere.


Art. 17
Waar naar toe hij zig dien dag heeft begeeven en opgehouden heeft.

Art. 18
Wie hij al ontmoet ende gesproken heeft en wat voor persoonen al bij hem sijn geweest.

————————
25
De gevangene Art. 10 van laastgehouden examen beleeden hebbende des selfs ontkominge uijt den gevangenis op het casteel alhier voor de tweede mael tusschen den 13e en 14e  september 1753 werd affgevraagt waar na toe hij zig heeft begeven.

26
Off de gedetineerde niet wederom op den 1e october deses jaars bij de stad Ruremonde is geapprehendeert geworden en wel tot Maasniel in de Heerlijkheijd Dalenbroek.

27
Om wat oorsaak hij gevangene aldaar is geapprehendeert, Hoe hij daar was gekomen en op wat plaats hij zig des nagts te vooren had opgehouden en bij wie.


De gevangene antwoort als voor.
De post: de gevangene antwoort al wederom den raam te hebben uijtgetrokken naar dat sijnen beenen uijt het blok hadde getrokke waar in gesloten was, sonder dat hij gevangene aan dien blok heeft gebroken gehad, als mede dat wederom in het water is gesprongen en niet te weten over welken brug hij gevangene is ontkomen.

De gevangene antwoort als voor.
De post: de gevangene segt op het eerste lid te weten dat het ligt was, op het twede lid niet te weten waar de wagt was.

De gevangene antwoort als voor.
De post: de gevangene segt niet te weten dat [hij] met de wakers gesproken heeft, nader seggende dat het soude kunnen gebeurt sijn, dog niet te weten.

De gevangene antwoort als voor.
De post: de gevangene segt voor het gat wel menschen gehoort te hebben dog met dezelve geen conversatie gehad, nog dezelve gesien te hebben.


De gevangene antwoort als voor.
De post: de gevangene segt sulks niet te weten.



De gevangene antwoort als voor.
De post: de gevangene segt neen.


De gevangene antwoort als voor.
De post: de gevangene antwoort sulks niet te weten.



De gevangene antwoort als voor.
De post: de gevangene antwoort sulks niet te weten.


De gevangene antwoort als voor.
De post: de gevangene antwoort geen menschen gesien te hebben.


De gevangene antwoort niet te weten waar naar toe sig begeven heeft.





De gevangene antwoort: ja.





De gevangene segt niet te weten waarom hij aldaar is gevangen geworden en daar naar toe te sijn gegaan, dog niet te weten waar [hij] de nagt te vooren geweest is.

Gevangene in Dalenbroek

Na zijn eerste ontsnapping wist Adriaan ruim een jaar op vrije voeten te blijven. Na zijn tweede ontsnapping had hij minder geluk: reeds na iets meer dan 14 dagen werd hij op 1 oktober 1753 in Maasniel gearresteerd en in Dalenbroek gevangen gezet.

Kasteel Daelenbroek rond 1738

Dalenbroek bij Roermond behoorde toentertijd tot Gelderland.

De Heerlijkheid Dalenbroek omvatte tot 1795 in zijn grootste omvang Melick, Herkenbosch, Herten en Maasniel, met ook nog de dorpen Leeuwen, Merum, Ool en Asenray.


In 1753 is Frederic Victor, vrijheer van Meer, Heeze tot Dahlenbroeck, Moorsele etc. er de baas

Adriaan was gevangen genomen in Maasniel ‘als eene vagabondt ende landlooper’.
De lokale gevangenis is in het kasteel Dalenbroek ondergebracht en daar wordt Adriaan dus opgeborgen. Hij wordt verhoord maar geeft bij het eerste verhoor geen antwoord. Bij het tweede verhoor legt hij de volgende bekentenis af.[243].

Op heden den 9 october (1753) voor ons ondergeschreven schepenen gesisteerd
[= verschenen] sijnde den alhier gedetineerden van wegens den heere ende scholtis [= schout] deser Heerlijckheijdt ende andermael verhoort wesende, wegen naerdere infomatie tot desselffs laste gecomen, heeft verclaert geboortigh te sijn van Boxtel in de Meijerij van ’s Hertogenbosch ende sich noemende Adriaen Santegoedts ende altijdt tot Boxtel gewoont hebbende, nochtans ook eenighen tijdt gewoont te hebben tot Venraij in ’t huijs van Toepoel. Voorders verclaerd den gedetineerden getrouwt te wesen met seeckeren persoon, haer noemende Ariaentje, oock geboortigh uit Boxtel, geen ander werck heeft gedaen als boerenwerck.
Dat hij tot Boxtel twee reijsen in gevangenisse heeft geweest ende iedere reijse ontkomen is.
Ende dat hij ontrent drij weecken voor de leste reijse ontkomen is naer twee daeghen gedetineert te sijn geweest.
Dat hij drij daeghen te voorens tot Gemert geapprehendeert is geweest ende van daer uijtgelevert aen den drossardt van Boxtel.
Den gedetineerden verclaert wijders, dat naer dat hij voor de laeste reijse ontkomen is, directelijck gegaen is tot Meersen onder Venraij, gehoorende bij Martin alwaer hij sich eenen dagh heeft opgehouden.
Dat hij van daer gegaen is ontrent Aecken alwaer hij eenighen tijdt heeft verbleven, van waer hij gegaen is tot Ruremonde met intentie om naar Gelder te gaen om aldaer dienst te nemen.
Den gedetineerden verclaert niet te weeten de redenen waerommme hij tot Boxtel en Gemert geapprehendeert is geworden.
Den gedetineerden gevraaght sijnde naer redenen waeromme hij [ten] tijde van sijn eerste verhoor sijnen oprechten naem ende verdere circumstantien [= omstandigheden] ontkent heefft, verclaert de oorsaecke te sijn geweest om dies wille niet en soude worden ontdeckt.
Dat hij tot Boxtel waere uijtgebroocken alent welck voorschreven.
Den voornoemde gedetineerden voorgelesen sijnde, heeft daer bij in omnibus et singularis gepersisteert (= blijft bij zijn verklaring) ende dese behandtmerckt in presentie van ons ondergeschreven schepenen op den huijse Daelenbroeck.

Adriaan tekent weer met een kruijsje. Hij verklaart hier dat hij niet wist waarom hij in Boxtel gevangen was gezet maar dat is natuurlijk onzin, dat wist hij verdraaid goed.

Op welke manier de drossaard van Boxtel er achter komt dat Adriaan in Dalenbroek vast zit is niet duidelijk, maar op 10 oktober dient hij een verzoek tot uitlevering in aan de Edele Hove in Gelderland en aan de vrijheer van Dalenbroek. Immers hij wordt daar ter plaatse niet beschuldigd van een halsmisdrijf en in Boxtel heeft men nog een appeltje met Adriaan te schillen [244].

Aen den Ed. Hove van Gelderland
Verthoont reverentelijck Johan Bowier, Drossard der Baronnie van Boxtel in de Meijerije van ’s Bosch hoe dat hij uijt crachte van decreet van apprehensie de dato den 8 julij 1752 in hechtenisse genomen gehadt hebbende seeckeren Adriaen Santegoedts inwoonder aldaer ter oorsaecke van huijsbraeck en bleijcke dieverijen, den selven den 1 aug. deselve jaers uijt de gevanghenisse uijtgebroocken.
Dat den suppliant alle debuoiren aengewendt hebbende om den selven uijtgebroockenen te achterhaelen, is het gebeurt dat den selven aen den suppliant wederom gelevert is door den drossard van Gemert op den 12 september deses jaers 1753 ende vervolgens door den suppliant in ketenen en boijen herstelt.
Dat den selven andermaal op den 14 desselve maendts sijne gevangenisse heeft weeten te ontkomen ende als nu in hechtenisse gestelt is in de Heerlijckheijdt Daelenbroek (ressort van desen Ed. Hove).
Ende aengesien het den suppliant ten hooghsten aengelegen is als sijn onderdaen vervolgenden officier, dat den geseijden geapprehendeerden Adriaen Santegoedts aen hem worde geëxtradeert ende overlevert om tegens den selven sijne begonste proceduijre te vervolgen ende gesamentlijck te ontdecken de plechtige aen de voors. uitbraecken is de selve uijtleeveringe des te eerder toe te staenter wijlen den geseijden geapprehendeerden aen geene doodt schuldige misdaet binnen dese jurisdictie plichtigh is soo verre men bewost is, reden waeromme den suppliant zijn recours nemt tot dese Ed. Hove
Oodtmoedelijk versoeckende ten eijnden den selven gelieven te ordonneren aen den officier ende weth. der Heerlijckheijdt Dalenbroeck van den bovengenoemdem Adriaen Santegoedts aen den suppliant salvis juribus uijt te leveren, offererende in alle dergelijcke voorvallenhet reciproque te presteren dit doende.
Waeren onderteeckent: J. Bouwier, A.T. Smabers
d’apostille was dese T. Hoff

Gesien dese zije gecommuniceert aen den scholtis van de Heerlijckheijdt Daelenbroeck om met participatie van den Heere der plaetse den Hove te berichten op het spoedighten ende sulcx geschiedt zije t’een ende ander gestelt in handen van ‘f officie fiscaal ter fine van advijs.
Actum Ruremonde den 10 october 1753

De vrijheer van Dalenbroek is er snel mee klaar. Wat hem betreft kan de uitlevering plaats vinden, mits de gemaakte kosten worden vergoed [245]:

‘Wij Frederic Victor, vrijheer van Meer, Heeze tot Dahlenbroeck, Moorsele etc. ontfangen hebbende het vrindelijck versoeck aen ons gedaen door den Drossaert der Baronnie van Boxtel, tot de uijtleveringe van seeckeren insetene tot Boxtel voorschreven, actuelijck als vagabond gedetineert op ons huijs Dahlenbroek, soo is ’t dat wij om besondere redenen door den voorseijden Drossard aen ons opgegheven, wel willen condescendeeren [= genadig toegeven] in sijn versoeck, consenterende [= toestemmen] dijen volgens in de uijtleveringe van den voorschreven gedetineerden in handen van den Drossard van Boxtel, mits hij betaele de costen van detentie ende sonder eenigh prejuditie van ons strict recht.
Gedaen op het huys Moorsele den 14. october 1753.

Was geteeckent Fred. Vic. Vrijheer van Meer tot Dahlenbroeck.

Het gerechtshof verzoekt ook aan het gerecht in Maasniel om hun mening te geven over een eventuele uitlevering. De schepenen van ‘Maesniell, Leuwen en Asenraij’ vinden het echter maar niks [246]. Op de eerste plaats weten zij niet om welke feiten hij naar Boxtel uitgeleverd zou moeten worden en of daarover met Adriaan is gesproken en in de tweede plaats weten zij niet of er behalve de feiten die bij het gerecht zijn gedeponeerd nog meer bekend is. ‘weshalve de selve vooralsnoch aen desen Ed. Hove niet en connen opgeven ofte genoechsaeme redenen existeeren tot uijtleveringe van den voors, gedetineerden ofte niet’.
Kortom, zij doen geen uitspraak en blijven neutraal.

Desondanks is echter het pleit beslecht en wordt Adriaen eind oktober overgedragen aan de drossaard van Boxtel. Deze brengt hem naar Boxtel, zet hem opnieuw gevangen maar laat hem nu dag en nacht bewaken door 4 personen.

Verhoor en terechtstelling

Nu Adriaan goed bewaakt in de gevangenis in Boxtel verblijft, wordt hij vanaf november meerdere malen verhoord. De vragen over zijn eerst en tweede ontsnapping zijn weergegeven in de betreffende hoofdstukken, maar wat is er gebeurd in de periode tussen 14 september (ontsnapping uit Boxtel) en 1 oktober (arrestatie in Maasniel)?. Alvorens we daar aan toekomen eerst nog een melding van de drossaard op 10 november, opgeschreven tijdens zijn verhoor [231]:

De heer drossard segt dat dewijl den gedetineerde een halstarrige ontkentenisse en onbewusthijd van saken schijnt voorgenomen te hebben en sig in sijne gevangenisse tot Dalenbroek al heeft gedragen om selve, was het doendelijk, naar alle waarschijnlijkhijd om het leven te brengen en naar dat hij gedetineerde aan hem, heere drossart, is geextradeert [= uitgeleverd] geworden sig selve is onthouden van spijs en drank om na alle apparentie
[= waarschijnlijkheid] soo doendelijk is, sig daar mede uijt dese wereld te helpen ten eijnde de regt verdiende straffe van justitie te ontgaan, weshalve genoemde heere drossart hem gedetineerde wel ernstig waarschouwt van sig anders te gedragen en voedsel te gebruiken waar bij begrijpelijk is dat hij gedetineerde het leven kan behouden off dat bij manquement en nalatighijd van dien desselffs oogmerk soude komen te berijken om door een onthouding van behoorlijke spijs en drank sig om het leven te brengen, den heere drossart tegens hem als een moetwillige verwoorder van sig selve sijne actie sal institueren ten eijnde sodanige een straff aan desselfs dode lighaam in dien gevalle moge worden opgelegt ende geëxecuteerd als volgens de wetten en costumen [= gewoonterecht] souden behoren.

Art. 19
Den gevangene affgevraagt off het voorstaande naar dat het selve hem is voorgelesen wel heeft verstaan.


De gevangene antwoort: ja.

Op allen welke vraag poincte en daar op gegevene responsives den gevangenen naar dat het hem een en andermaal is voorgelesen heeft blijven persisteren en desen eigenhandig ondertekent, tot Boxtel heden den tiende 9bre 1700 drie en vijfftig

Adriaan heeft dus al in Dalenbroek zelfmoordneigingen getoond en is nu bezig met een hongerstaking. Maar de drossaard zegt hem dat, als Adriaan slaagt met zijn zelfmoordpoging, hij actie zal ondernemen om te bewerkstelligen dat zijn straf (ophanging) ook aan zijn dode lichaam zal worden voltrokken.  Adriaan zegt dat begrepen te hebben.

Ook de schepen doen enkele dagen hierna melding van de hongerstaking [232]:

Wij, … schepenenen en secretaris deser Baronnije van Boxtel, verklaren dat wij op heden door den Wel Ed. Gestr. Heer J. Bowier, drossart alhier, geciteerd sijnde ten eijnde ons met den selve heere drossart te vervoegen bij den gevangene Adriaan Santegoets, overmits den zelve gevangene zig bleef onthouden van ’t nodige voedsel tot onderhoud van desselfs leeven en van tijd tot tijd zwakker begon te worden, zoo hebben wij ons bij dezelve vervoegt als wanneer den heere drossart hem gevangene heeft gesegt dat hij geresolveert [= vastbesloten] scheen te wesen tot sijn eijge vermoording te willen volharden en dus alnog hem ernstelijk vermaande om aan de behouding zijner ziele te gedenken en aan de waarschouwinge breder bij het exame van den 10e deser gedaan en hem gevangene affvragende off dan geene confessie wilde doen wegens desselfs ontkominge uijt de gevangenisse alhier als mede van zodanige dieverijen waar aan hij schuldig is en den regter alhier nog niet heeft beleden op welke eerste vraag de gevangene sijde niets daar van te weten en op de twede dat geen quaat meer gedaan had, verklarende wij voornoemde schepenen en secretaris het geene voorschreven alsoo te zijn geschiet en hebben desen ter prothocollen eijgenhandig ondertekent.

Het verhoor op gaat op 18 november weer door [232]:

28
Waar hij gedetineerde zig al heeft onthouden tusschen den 14e september jongstleeden dat alhier ten tweede male uijt de gevankenisse was ontkomen tot den 1e october daar aan volgende, dat wederom geapprehendeert wierd op voorgevraagde plaats en bij wat voor mensche en wat [hij] inmiddels voor de kost heeft gedaan.

29
Dewijl die plaats alwaar hij gevangene laastmaal is geapprehendeert aan de andere zijde van de rivier de Maas ligt, den gevange af te vragen waar ter plaatse hij die rivier is overgekomen, aan wat veer, waar, omtrent hoe veel dagen zulks was voor desselfs apprehensie aldaar.

30
Waar den gevangene zijne kleederen zijn verbleeven die ten tijde zijner laaste gevangenis alhier heeft aan gehad.

31
Om wat reedenen hij gevangene zijn kleederen in de gevankenisse te Dalenbroek aan stukken heeft gescheurt en off dat dezelve kleederen niet en zijn geweest waar mede [hij] hier laastmaal was gevangen geweest.

32
Off het verscheuren zijner kleederen aldaar maar niet is geschiet om zig daar door onkenbaarder te maken voor de vervolginge van den heere drossard ofte anderen die ietwats tot zijne nadeele konde getuijgen.

33
Dewijlen den gevangene bekent is en beleden heeft dat alhier in de maand julij 1752 is gevangen geworden om wat reden hij gevange is.

34
Op wat wijsen hij in de gevangenis is gekomen.



35
Alsoo de gevangene bij vorige exame Art. 10 bekent heeft dat wederom tusschen 13 en 14 september jongstleden uijt de gevangenisse op het casteel alhier was ontkomen, hoedanig en op wat wijsen hij gevangene en door wie aldaar was gesteld geworden.

36
De gevangene aff te vragen off [hij] niet en weet dat alhier gevange is en hoe dat [hij] alhier is gekomen.





————————
51
Wat voor kleederen den gevangene te dier tijdt aan heeft gehad.




52
Off den gevangene in dezelve kleeren waar mede hij gevangen was genomen, alhier niet andermaal in de gevankenis op ’t casteel is gestelt.

53
Off hij gevangene diezelve kleeren, except de keel,  niet nog aan had als te Maesniel bij Ruremonde wederom is geapprehendeert.

54
Off dat dezelve kleederen niet zijn dewelke hij in zijn gevankenisse in Dalenbroek heeft verscheurt.

55
Off de gevangene ook te Aken off daaromtrent is geweest ’t zeedert dat alhier tusschen den 13e en 14e september jongstleeden ten tweede maal was uijtgebroken.

56
Wat hij gevangene aldaar meenden te verigten en hoe lange daar is verbleeven.

57
Hoe veel dagen na zijn ontkoming van hier zijn komst te Aken is geweest.

58
Hoe en door wat plaatse hij gevangene die rijs heeft genomen en waar al overnagt heeft.











59
Den gevangene werd gevraagd hoe hij geld bequam om op die rijs te bestaan.

60
Waar ter plaatse en bij wie den gevangene heeft bevonden des nagts tusschen de sondag en maandag na Lieve Vrouw Hemelvaart ofte den 19e en 20e augustij deses jaars.

61
Insgelijks werd den gevangene gevraagt waar den 21e september laastleeden zijnde St. Matheus dag zig heeft bevonden in wat plaats en bij wie den volgende nagt heeft gelogeert.

62
Waar den gevangene dat stuk Akens geld met het geene meerder is bij hem gevonden (ten tijde zijnder apprehensie te Maesniel) heeft bekomen en van wie.



63
Tot welke een oogmerk de gevangene de spijker welke hem bij ’t afvragen dezer vertoont werd in zijn schoen hadde verborgen die daar tijde zijner apprehensie te Maasniel voor. is uijtgehaalt geworden.

64
Dewijle de gevangene Art. 59 wel antwoord hoe aan geld is gekomen tot zijn reijs na Aken, word hem ook affgevraagt hoe hij aan geld tot zijne Amsterdamse rijs is gekomen.

65
Den gevangene Art. 60 gevraagt zijnde waar ter plaatse en bij wie zig heeft bevonden des nagts tusschen de sondag en maandag na Lieve Vrouwe Hemelvaart zijnde te weesen 20 augustij deses jaars, en den gevangene daar op geantwoort hebbende zulks niet te weeten en geen plaats te kunnen noemen waar [hij] zig opgehouden heeft, zo werd den gevangene afgevraagt off hij in die genoemden nagt niet een diefstal heeft begaan ten huijse van Nel Pluck onder Mill, breeder gementioneert in Art. en responsive [= antwoord]  41e zo neen, off hij gevangene eenige bewustheijt off kennisse van dien gepleegde diefstal heeft.

66
Ofte voorsz. diefstal geen oorzaak van zijne rijs na Amsterdam is geweest waar den gevangene na gevraagt is in Art. 44, 45, 46, 47, 48 en 49 ten eijnde de goederen aldaar bedekte te kunnen verkopen.

67
Den gevangene in Art. 61 insgelijks gevraagt zijnde waar [hij] den 21e september laastleeden op
St Mattheus dag zig heeft bevonden, in wat plaats en bij wie den volgende nagt heeft gelogeert en den gevangene daar op geantwoord [heeft] het beide niet te weeten, waar [hij] dien dag geweest is, nog ook niet te weeten waar [hij] den volgende nacht gelogeert heeft, ofschoon zulks maar agt dagen na zijn laatse ontkominge van hier en even zo veel tijdt voor zijne apprehensie te Maasniel bij Ruremonden is geweest, zo werd den gevangene afgevraagt off hij in diezelve dag niet te Lottem is geweest en des nachts een paard uijt zekere stal heeft weg genomen en daar mede is weggereeden off gegaan.

68

Waar den gevangene dat paard heeft bekomen, waar mede hij aan ’t Beugenomse veer digt bij Ruremonde is overgevaaren, [ten] tijde tusschen zijne laaste ontkominge van hier en desselfs apprehensie tot Maasniel.

69
Off den gevangene tusschen den 20e september en 1e october jongstleeden dan niet een paard heeft verkogt omtrent het dorp Egelsen, digt bij Aken.

70
Off den gevangene dan nooijt eenige koopmanschap in paarden heeft gedaan.






71
Off den gevangene niet wel te Boxmeer pleeg te komen, zo ja, bij wie en hoe lange geleeden dat laastmaal daar is geweest.

72
Off den gevangene in voorleede en dit jaar niet een blaauwe keel plagh te dragen.

73
Off den gevangene ook niet wel somtijts een bonte neusdoek gewoon was te dragen.


De gevangene segt niet te weten waar hij al heeft onthouden en antwoort niet gestolen [te hebben], somtijds wel eens gebedelt en ook wel eens gewerkt te hebben, maar niet te weten wat voor werk dat gedaan heeft.



De gevangene segt niet te weten hoe dat over de Maas is gekomen en ook niet te weten hoe veel dagen dat het voor sijn apprehensie was.





De gevangene antwoort zulks niet te weten.



De gevangene segt sulks niet te weten.






De gevangene segt: neen.





De gevangene antwoort sulks niet te weten.




De gevangene segt sulks niet te weten, dog wel te weten dat hij in dat vertrek agter de deur van de Raadkamer alwaar een trap staat, heeft geseten gehad, op welke deur hij gevangenen op het verhoren deser was wijsende.

De gevangene segt sulks niet te weten.






De gevangene antwoort wel te weten dat [hij] alhier gevangen is, dog niet te weten hoe [hij] alhier is gekomen, maar seggende dat [hij] wel weet dat die schobert, menende daarmede en wijsende op een der dienaars der justitie, daar bij is geweest, welke dienaar daar ook bij is geweest als wanneer den heere drossard hem laast maal heeft weten aff te halen.


De gevangene antwoort aangehad te hebbe een bruijn lakens camisool, daar onder een blaauw en wit gestreepte borstrok met tinne knopen daar aan, een leeg blaauwe broek, witte wollen cousen en schoenen met riemen sig toebindende en ook een blaauwe keel daar over welke alhier is verbleven tijden sijner ontkoming.

De gevangene antwoort: ja, behalve de keel.




De gevangene antwoort: ja, die kleederen aangehad te hebben.



De gevangene antwoort: ja



De gevangene antwoort: ja





De gevangene segt dat [hij] aldaar meende te gaan woonen en maar eenen dag is stil gebeven.


De gevangene antwoort sulks niet te weten.



De gevangene antwoort van hier te sijn gegaan op Venrooij en aldaar een nagt verbleven te sijn, van Venrooij op Oostrum en aldaar te kerk geweest, van Oostrum naar Broekkesen in het Pruisis land, van Broekkesen over de Maas gevaren aan het Broekese veer en de gevangene segt aan het Lothemse veer weder terug te sijn gekomen over de Maas, tot Lothem een dag verbleven, van daar op Beek in ‘t Land van Cuijk, daar weder over de Maas te sijn gegaan en segt als doen naar Aken te sijn gegaan, off wel het dorp Haren sijnde een uurtje van Aken, sonder dat eenige andere plaatse weet te noemen in die tussen stantie waar [hij] al gepasseert is.

De gevangene segt van een schepen genaamt Martien tot Ovenrooij een quartje ontfangen te hebben en daar de rijs mede voortgeset te hebbe.

De gevangene antwoort sulks niet te weten en geen plaats te kunnen noemen waar [hij] sig heeft opgehouden op die tijd.



De gevangene antwoort niet te weten waar [hij] dien dag geweest is, nog ook niet waar [hij] den volgende nagt gelogeert is geweest.



De gevangene antwoort de twe permissie schellinge en het Akens geld in een blaas gevonden te hebben aan gene kant Haven bij Aken en de Hollansche schelling gewisselt te hebbe tegen het quartje bovengenoemt en de verdere vetmennekens [= muntsoort], duijte en Luijkse oortjes mede in de blaas gevonden te hebben.

De gevangene segt die spijker wel in sijn schoen gehad te hebben, dog niet te weten ten welken eijnde hij die zeker daar in gestoken heeft.



De gevangene antwoort het geld soo hier en daar met werken verdient te hebben en voor de rest daar niet van te weten.



De gevangene antwoort daar geen dieffstal gedaan te hebben, nog ook niet te weten wie aldaar een dieffstal soude hebben gepleegt.











De gevangene antwoort: neen.





De gevangene weet wel dat [hij] tot Lottem is geweest, dog niet met welken dag [hij] daar is geweest en segt van geen paard te weten.













De gevangene antwoort aldaar met geen paart te sijn overgevaren.





De gevangene antwoort: neen.




De gevangene antwoort: neen, geen coopmanschap nooijt in paarde gedaan te hebben, dog wel in de zomer met een paard gereden te sijn van Boxmeer naar Dinther, het geene hij tot Boxmeer hadde gehaalt bij Mollemans en sulks gebragt bij eenen Jan off Johannes wonende in de Coning van Pruijsen tot Dinther en sulks gedaan te hebben op last van voornoemde Molleman en Jansen Hartenberg, wonende tot Dinther.

De gevangene segt: ja, bij een clompmaker genaamt Sis, dog segt niet te weten hoe lang dat geleden is dat [hij] daar is geweest.


De gevangene antwoort: ja. voorleden en dit jaar een blaauwe keel te hebben gedragen.


De gevangene antwoort dat [hij] wel somtijd een neusdoek bij hem hadde, dog niet te weten hoe de selve van cleur was.

De “preek” op 10 november heeft weinig geholpen. Hij herinnert zich weinig en wehkt absoluut niet mee. Men komt tot de conclusie dat er andere maatregelen moeten worden genomen. Het verhoor gaat daarom verder op 15 december in de Gevangene Poort in den Bosch [234]. De gevangene is daarheen verplaatst omdat in Boxtel geen martelkamer aanwezig is en men verwacht die nodig te hebben.

Art. 74
Den gedetineerden Art. 68 van voorigh examen zijnde gevraagt waar hij dat paart had bekomen waar mede [hij] aan ’t Buggenomse veer, digt bij Ruremonde, was overgevaaren [ten] tijde tusschen zijn laaste ontkominge van Boxtel en desselffs apprehensie te Maasniel ende [hij] het zelve Art. tegen de waarheijt heeft beantwoort, zo werd den gevangene nader gevraagt off hij op den 22e september deses jaars 1753 met een paart aldaar niet is overgevaaren en hoe laat zulks omtrent op dinsdag is geweest.

75
Hoe veel den gedetineerden aldaar aan veergeld heeft betaalt en off er nog meerder menschen buijten hem en de veerlieden zijn overgevaren.

76
Waar hij gedetineerde met voorschreve paard naar toe is gereeden en waar het zelve verbleeven is.




77
Aan wie hij gedetineerde ’t zelve heeft verkogt en voor hoe veel geld.




De gevangene antwoort dat wel over voornoemd veer (als in textu gemelt) met een paard is overgevaren, dog segt de precisen dag niet te weten, maar wel dat het is geweest tusse sijne laaste ontkoming van Boxtel en weder apprehensie tot Maasniel, dog ook niet te weten wat tot het van den dag was.






De gevangene antwoort geen veergeld aldaar toen betaalt te hebben en dat geen meer menschen in de pont waaren als hij en de veerlieden.


De gevangene antwoort: tot aan de andere kant van Ruurmond, boven het Ruurmondse Clooster in een herberg aldaar en dat [hij] als toen op het paard is gaan sitten, Sis Marten Sluijter, sonder de persoon sijn naam anders te konnen noemen, maar wel te weten dat die persoon van Liempde was.

De gevangene antwoort het selve paard verkogt te hebbe, sonder te weten aan wie off waar en dat voor ses en een halve patacon.
De post: de gevangene segt wel te weten dat de plaats alwaar hij het paard verkogt heeft digt bij Aken lag.

Een pattacon was een veelgebruikte munt met een waarde van 48 stuiver. Hij heeft dus voor het paard nog geen 16 gulden gekregen, terwijl een paard toen een waarde van 30 à 40 gulden had.

(Vervolg akte:)

78
Waar ter plaatse den gevangene dat zelve paard had bekomen en op wat wijze.



79
Hoe en waar ter plaatse sij elkanderen hebben ontmoet en waar hij gevangene des nagts te voore hadde gelogeert.


80
Hoedanig den voornoemde Sis Marten Sluiter bij hunnen ontmoeting gekleet was.

81
Off den gevangene langen tijd met voornoemde Sis Marte Sluiter verkeert off omgegaan heeft.

82
Off de gevangene niet bekent is dat de selve Sis Marte Sluijter een quade naam heeft en voor een dieff bekent is bij de menschen.

83
Off al het geene hij gevangene hier voor heeft verhaalt, ten opsigte dat hij het paard van Sis Marte Sluijter zoude bekome hebbe, maar niet is vals ende verdagt en dat hij zelfs die geene is welke het paard uijt de stal tot Lottem heeft weg genomen.

84
Hoedanig sig dan die overgeving en dat hij gevangene te paard quam, heeft toe gedragen en tot wat prijs hij ordre had het selve te verkopen.

85
Om wat redenen hij gedetineerde soo verre is gereden om dat paard te verkopen.

86
Off de gevangene eenige bewusthijd had dat er quaat in stak.

87
Wat hij gevangene met het geld heeft gedaan dat hij voor het paard ontfangen heeft.


88
Om wat redenen hij gevangene de gehele coopsom niet heeft ontfangen.

89
Hoe veel hij gevangene dan heeft ontfangen.

90
Waar ter plaatse hij gevangene het geld met voornoemde Sis heeft gedeelt.

91
Off die voorn. Sis hem gevangene niet hadde gesegt hoe hij aan dat paard was gekomen.

92
Waarom den gevangene bij sijne responsive op Art. 70 gesegt heeft nooijt geen paart verkogt te hebbe.

93
Off den gevangene bekent is waar ter plaatse den voorsegde Sis Marte Sluiter sig is onthoudende.

94
Off den gevangene met Sis voors. was affgesproken om elkander aan het Buggenomse veer te sullen vinden.

95
Of Sis Marten Sluijter dan altijt te voet bij hem gevangene is gebleven sedert dat hij het paart van hem ontfing.


De gevangene segt het selve paard bekomen te hebben een lutske aan dese kant van het veer van Art. 74  boven genoemt, dat aldaar bij hem is gekomen Sis Marten Sluijter de welke tegens hem sijde gaat gij er op sitten.

De gevangene antwoort elkanderen aan het voorgenoemde veer ontmoet te hebben en des nagts te voren tot Helde gelogeert te hebben en van Helde vertrokke te sijn met den dag en dat te voet.

De gevangene antwoort dat Sis Marten Sluijter een blaauwe ceel aan hadde.


De gevangene antwoort: neen.



De gevangene antwoort: ja, daar wel iets van te hebben horen seggen.



De gevangene antwoort: neen.






De gevangene antwoort dat Sis Marte Sluijter hem het paard over gaff en dat hij er is op gaan sitten en dat hij ordre kreeg van Sis voornoemd omme het paard te verkopen tot wat prijs het ook was.

De gevangene antwoort sulks niet te weten.



De gevangene antwoort daar niet van te weten dat er quaat in stak.


De gevangene antwoort het geld aan meergenoemde Sis over gegeven te hebben en van hem Sis toen gekregen heeft twee stuk Sis geld, soo als er nog een van dien onder den heere drossard berustende is.

De gevangene antwoort sulks niet te weten.



De gevangene antwoort: de helft van de bedonge prijs bovengenoemd.

De gevangene antwoort: tot Aken, het geld te gelijk dat [hij] ontfangen hadde aan Sis meergenoemt te hebben over gegeven.

De gevangene antwoort: ja, dat hij, Sis, sijde het zelve hadde bekome bij deijling met sijn broeder en suster, alsoo die sijn vader overleden was.

De gevangene antwoort sulks niet te weten.



De gevangene antwoort gehoort te hebben dat den selve Sis tot Antwerpen woonden.


De gevangene antwoort: neen.



De gevangene antwoort dat Sis voorzegd altijt bij hem te voet is gebleven tot ter plaatse alwaar hij gevangene het paard heeft verkogt en dat der selve Sis als toen van hem gevangene is aff gegaan sonder te weten waar naar toe.

Den gevangene verklaard verder dat nadat hij het Buggenomse veer was gepasseert, is voort gereden direct naar de plaats alwaar [hij] het selve paart heeft verkogt.
Dat hij tegens den avond gekomen sijnde ten selven huijsen alwaar men een droppie schonk en des nachts aldaar is verbleven.
Dat hij des ‘s morgens is vertrokken met de helft der cooppenninge, onder affspraak van de andere helft nog te sullen komen afhalen en dat hij is vertrokken naar Aken, sonder met Sis affgesproken te sijn waar den selve wederom soude vinden.

Omdat bovenstaande antwoorden volgens schepenen en drossaard niet waar zijn, dient de drossaard op 17 december een verzoek in om scherp recht te mogen toepassen, d.w.z. dat er gemarteld mag worden om de waarheid te achterhalen. De schepenen van Boxtel geven hiervoor toestemming [235]:

Articulen omme daar op uijt kragte van het appoinctement [= besluit] van heeren schepenen der Baronnije van Boxtel van dato den 17e Xbre 1753 ter instantie van den Wel Ed. Gestr. Heer J. Bowier, drossard deser Baronnije van Boxtel voorzegd onder scherp examen te horen, vragen en examineren den persoon van Adriaan Santegoets, gevangene en gedetineerde bij aard vergunning op de Stadsgevange Poorte tot s’Bosch.

Met deze toestemming wordt op 18 december het verhoor voortgezet in den Bosch [238]:

Nadat aan den gevangene eerst aanmaninge was gedaan ten eijnde de waarhijd nopens het begaane dieffstal van het gestolene paard tot Lottem te willen confesseren [= bekennen] dan dat hij sijne ontkentenisse persisteerde [bleef volhouden] is het appoinctement [= besluit] ter scherper examen gepronuntieert [= uitgesproken] en na dat den gevangene gebracht was ter plaatse alwaar men alhier gewoon is het scherp examen te apliceren [= toe te passen], heeft den gevangene aanstonds bekent en beleden dat nagts tusschen den een en twe en twintigste september deses jaars te Lottem een haldeur welke met een tob geslote was, met het uijttrekken van dien tob opengemaakt en aldaar uijt gestolen te hebben een zwart paart, wesende middelmatig. Aan het selve paard een toom in die stal leggende aangedaan te hebben en daar mede weg gereden te sijn en het selve verkogt te hebbe en voorts te persisteren bij het geconfesseerde Art. 51, 53, 54, 74 en 77 ten opsigte van vorigen examens van het paard gedaan.
Op welk geconfesseerde nadat het den gevangene een en andermaal is voorgelesen derselve is blijve persisteren, seggende het selve waarhijd te sijn en dese eijgenhandig ondertekent [te hebben], binne ’s Bosch op den Gevangene Poorte aldaar, heden den agtiende Xbre 1700 drie en vijfftig,

De bekentenis wordt nogmaals vastgelegd in een akte, waarna het doodvonnis wordt uitgesproken [237]:

Alsoo Adriaan Santegoets, oudt vier en twintigh à vijff en twintig jaaren, gebooren te Boxtel, gevange en gedetineerde, buijten eenige pijn off banden van ijser, vrijwillig aan mijne heeren schepenen der Baronnije van Boxtel bekend en beleeden heeft, en ook andersints gebleeken is, dat hij gevangene tusschen vrijdagh en saturdag, zijnde geweest den sevende en agste julij des gepasseerden jaars 1700 twee en vijfftigh des nagts van de bleijk van Marcelis Johan Goossens, schepen en inwoonder van en linnereder tot Boxtel, een stuk linne gestoolen, en dat stuk linnen ontrent zijns gevanges huijs in een sloot onder waater verborgen heeft gelijk dan ook dat stuk linnen op aanwijsinge van hem gevangene door het geregt alhier uijt die sloot gehaalt is.

Adriaan heeft het niet op een foltering aan laten komen en heeft meteen bekend. Althans, er wordt genoteerd dat hij zonder enige dwang (eenige pijn off banden van ijser = duimschroeven) vrijwillig bekend heeft.
(Vervolg bekentenis:)  

Dat hij gevangene sig des avonds van den eenentwintigsten september deses jaars 1753 zig tot Lottum bevonden en des nagts uijt de stalling van Dirck Ligtervelt, woonende tot Lottum, welkers deur met een top geslooten was, die deur door het aff doen van die top open gemaakt hebbende, een zwart paart, sijnde middelmatig en zes jaaren oude, gestolen heeft, daar mede des ’s morgens den 22e september daar aan volgende tusschen zeven en agt uuren het Beugenomse veer over de Maas gepasseert is en het selve paard aan Post Peterke in het Hondschap Broekhuijsen, onder Egelse geleegen, verkogt heeft voor ses en een halve pattacon en dat de helft van die penningen daar voor ontfangen heeft.
Hoedanige dieverijen want zaaken zijn, die in een land van justitie en goede politie niet kunnen off mogen werden getolereert, maar anderen tot exempel en affschrik, ten hoogsten strafbaar zijn, bijsonder ten opsigte van den gevangene welke zeer suspect is, van meer grove dieverijen gepleegt te hebben en daar en boven tot twee distincte reijsen, te weten op den 30e julij des gepasseerden en den veertienden september deses loopende jaars middel gevonden heeft om uijt sijne gevangenis tot Boxtel uijt te breeken.

Hier wordt de ernst van de zaak nog eens benadrukt als motivering voor het vonnis.
(Vervolg akte:)

Zoo is het dat mijn heeren schepenen voorschreve op alles wel ende rijpelijk gelet hebbende, waar op enigsints te letten stonde, gesien tot dien het schriftelijk versoek van regt bij den Wel Ed. Gestr. Heer Jan Bowier, drossard deser Baronnije, jegens den gevangene gedaan, als mede het appoinctment van decreet van apprehensie van dato den agsten julij 1752 ten lasten van den gevangene verleend, mede gehad het prae-advies van twee onpartijdige rechtsgeleerdens, regt doende, verklaaren voor regt, dat de gevangene ter saake voorszegd gebragt sal werden ter plaatse alwaar men binne dese Baronnije gewoon is de executie van criminele justitie te doen, om aldaar door den meester van den scherpe geregte met de koorde te worden gestraft, dat er de dood naar volgt. Dat vervolgens desselffs dood lighaam na het buijten geregt gebragt en aldaar ten thoon zal worden gehangen, den gevangene en gedetineerde in voorsz. straffe mitsgaders in de kosten van regt en misen van justitie condemnerende.
Actum den agtienden december 1700 drie en vijfftigh, present de ondergetekende heeren schepenen.

Dit vorenstaande vonnis gepronucieert en geëxecuteert heden tot Boxtel den twintigste Xbre 1700 drie en vijfftig.

Het is me nog al wat. Er wordt eerst uitdrukkelijk vermeld dat hij zonder dwang zijn bekentenis heeft afgelegd en vervolgens wordt hij ter dood veroordeeld. Nu was de diefstal van een paard in die tijd een groot misdrijf want daarmee ontnam je een boer zijn middel van bestaan en bracht je hem en zijn gezin tot de bedelstaf. Maar toch! En vervolgens wordt je lijk ook nog ten toon gesteld ter lering en afschrikking. Ten slotte moet je ook de kosten betalen, wat hier trouwens niet is gelukt omdat er totaal geen geld was, zoals we nog zullen zien.

Omdat de drossaard er van overtuigd is dat Adriaan bij zijn ontsnappingen hulp van buiten moet hebben gehad, vraagt hij dat nog eens op 19 december, daags voor de terechtstelling. Adriaan zit op dat moment nog in den Bosch [239]:

Compareerde voor de ondergetekende schepenen der Baronnije van Boxtel, Adriaan Santegoets, gevangene en gedetineerde op de Stads Gevangene Poorte tot ’s Bosch, de welke naar dat hem de dood was aangesegt, heeft verklaard en gesegt tegens den heere drossard als dat hij gevangene hem heere drossard met leugenen hadde opgehoude en wel bestaande hier inne, als dat hij gevangene in het eerste uijtbreken tot Boxtel uijt de gevangenisse op het casteel is geholpen geworden door de nagtroeper Schalks van Boxtel en dat die hem gevangene in de gevangenisse een instrument om te breken heeft gebragt en dat hij ten twede maale daar sittende in die nagt toen [hij] ‘smorgens uijtbrak, verscheijde maale met de wakers, die voor de gevankenis waakten, heeft gesproken en dat deselve wakers hem ook hebben hore breken, verklarende hij gevangene het geene voorschreve is, de waarhijd te sijn, begerende daar op te leven ende te sterven.

In de marge van deze akte wordt echter genoteerd, nu in Boxtel op de ochtend van de terechtstelling:

Op heden den twintigsten Xbre 1700 drie en vijfftig, des voormiddags omme tien uuren, compareerde de gevangene boven gemelt tot Boxtel voor schepenen aldaar, de welke verklaarde allen het geene ter beschuldiging van Schalks de clapwaker hier boven gemeld op gisteren gegeven in alle delen te herroepen als sijnde bij hem vals en te onregt geschiet, dog bij het overige in de voorschreve attestatie hier boven gemelt te persisteren als seggende sulks een waarhijd te sijn, wachtende daar op het oordeel van den Almagtige God aff, in kennisse de waarhijd heeft den gevangene dese eijgenhandig ondertekent op dato boven.

Wat Adriaan bezielde om daags voor zijn ophanging nog een valse beschuldiging af te leggen en die de volgende dag enkele uren voor zijn terechtstelling weer te herroepen, is een raadsel.

Epiloog

Zijn vrouw Adriana heeft 3 maanden na de ophanging nog een zoon gekregen. Blijkbaar wist Adriaan tijdens zijn zwerftochten c.q. landloperij dus nog wel eens thuis aan te wippen. Maar het moet voor haar een berg ellende hebben betekend. Zij hertrouwt in 1756. Hoe arm zij is weten we uit de inventaris die daarvoor moest worden opgemaakt vanwege haar dochter Mijntje [157]::

Een blokje, een bed met cast gevuld met een hoofdkusse, een paar bed lakens, een linne deken, vier tinne lepels, vier ijsere forchette, een tafel, twee stoelen een tinne soutvat.

Het is dus inderdaad een schamel bezit.

Drossard Jan Bowier probeert in 1755 een vergoeding te krijgen voor de kosten die hij i.v.m. deze geschiedenis heeft moeten maken [241]:

Requeste van J: Bowier, drossard der Baronije van Boxtel, Quartiere van Oisterwijk, Meijerije van s’Hertogenbosch, houdende dat den suppliant in ervaring gekomen zijnde dat zekere A: Santegoets, inwoonder der gemelte Baronije tussen den 7 en 8 julij 1752 zig schuldig gemaakt hebbende aan het steelen van een stuk linnen op een blekerije het selve aan scheepenen der meergenoemde Baronije hadde voorgedraagen en decreet van apprehensie ten lasten van genoemde Santegoets geobteneert.
Dat den suppliant de gevangene den tijd van 3 weeken had laaten bewaken, tot tijd en wijlen het gevangenhuis binnen gen. Baronije zoude zijn bequaam gemaakt.
Dat den gevangen in het zelve op den 29 julij 1752 gebracht zijnde, tussen den 30 en 31 daar aan volgende had weeten te aufugeeren [= verdwijnen].
Dat den zelven naderhand tot Gemert zijnde geapprehendeert door den suppliant was gereclameert en wederom in het gevangenhuis binnen voorschr. Baronije  op 12 sept: 1753 gebragt, doch waar uit denzelven tusschen den 13. en 14. daaraan volgende had weeten te aufugeeren.
Dat den zelven vervolgens in het overquartier van Gelderland onder de Heerlijkheid Dalenbroek bij de stad Ruremunde in hegtenis was geraakt, van waar den suppliant zig amptshalven verplicht had gevonden denzelven te reclameeren met dat gevolg dat hij aan den suppliant dog niet zonder groote moijte en kosten was geëxtradeert geworden.
Dat den suppliant wijders den gedetineerden den tijd van omtrent ses weeken door vier persoonen dag en nagt had laaten bewaaren waar voor al wederom veel gelt had moeten betaalen tot dat den gevangene op den 10 decemb: 1753 met den koorde was gestraft geworden.
Versoekende den suppliant om redenen in de voorschreve requeste geallegeert dat haar Ho: Mo: de Regenten der Baronije van Boxtel geloven te authoriseren en des noots te gelasten aan den supliant de penningen ter zaake voorschreve geïmpendeert [=uitgegeven] uit een personalen omslag over alle ingezeetenen der voorschr. Baronije te restitueeren.
Waarop gedelibereert zijnde is goedgevonden en verstaan dat in het voorschreve versoek niet kan worden getreeden en werd dien volgende het zelve gedeclineert en afgewezen.

Vette pech dus voor de drossaard, maar hij geeft de moed niet op en in juli 1755 dient hij opniew een verzoek in met als argument dat in 1744 voor een soortgelijk geval m.b.t. Jan Antonij Ooms wel een vergoeding werd betaald en wel van twee maal 100 gld. [242]:

Wanneer daar jeegens vergelijke het geval voorhanden, soo bevinde [hij] dat den jeegenswoordige gecondemneerde Adriaan Santegoets en in jaar en dag te Boxtel niet thuijs geweest sijnde, geapprehendeert is geworden te Dalenbroek in het overquartier van Gelderland en dus ook buijten het territoir van de Generaliteijd, daar van dan den suppliant denselve meede niet dan met moeite en groote onkosten is magtig geworden bij wege van reclame, sulks dat in het jeegenwoordige versoek van de suppliant resideert eene evenredenheijd met ’t verzoek hetwelk hij te vooren gedaan heeft gehadt in opsigte van voornoemde Jan Antonij Ooms, te meer dewijl bij het neevensgaande declaratoir [= verklaring] van Jan van den Bichelaar en andere, scheepenen van Boxtel van dato 20 junij 1755 blijkt dat bij den voorschreve Adriaan Santegoets niet alleen geen gelt of goed is gevonden, maar ook niets agtergelaaten is van eenige emportantie [= belang], dan maar alleenlijk eene leeme huijsje het geen voorheen door hem was bewoont en nu bij desselfs naargelaaten vrouw en kind (: dewelke in de uijterste armoede zijn 🙂 werd beseeten en welk huisje naar de gedagten van die schepenen nog geen twintig gulden voor het geheel waardig soude zijn.
Waaromme [hij] (onder ootmoedige reverentie [= eerbetuiging]) aan ued. Mo: in bedenking geve of niet Ued. als in navolging van Ued. Mo: appoinctment van den 8. febrij 1745 aan den suppliant ook in cas voorhanden mij souden kunnen authoriseeren om aan den suppliant te betaalen eene somme van een hondert guldens voor de premie van apprehensie van de voorschreven geëxecuteerde Adriaan Santegoets, met last om daar uijt te voldoen de oncosten dewelke den Officier van Dalembroek weegens de apprehensie en overleevering heeft moeten supporteren, en dan nog eens een somme van een hondert guldens voor de helft van het soulaas der executie kosten, aan den suppliant vrij gelaaten werdende de wederhelfte van dien te vorderen tot laste van het Quartier van Oosterwijck, gemerkt de executie is geschiet te Boxtel in dat quartier gelegen, voorbehoudens dat de suppliant zal gehouden weezen Ued. Mo: resolutie te laaten registreren ten Comptoire der Domainen van Brabant te s’Bosch.
Niettemin het zelve overlaatende aan het hooger en wijzer oordeel van Ued. Mo: soo hebbe de eer met seer diep respect te sijn.
s’Bosch, den 12 julij 1755

De drossaard vraagt dus 100 gld. voor de onkosten van de gevangenschap van Adriaan in Boxtel en Dalenbroek en dan nog eens 100 gld. voor de helft van de kosten van de ophanging, waarbij de andere helft zou moeten komen van het Kwartier van Oisterwijk waar Boxtel toe behoort. Ook geeft hij aan dat er bij de weduwe van Adriaan niets te halen valt, het lemen huisje van Adriaan is nog geen twintig gld waard. Hoe dit afgelopen is en of hij inderdaad geld heeft ontvangen is onzeker. Bij verder onderzoek komnt dit mogelijk aan het licht.

====================

Wat moeten we van deze geschiedenis denken?

Was Adriaan vanwege zijn armoe op het slechte pad geraakt of deugde hij niet?

Hij is de oudste uit een gezin van 12 kinderen. Zijn moeder overlijdt rond 1750, maar dan is Adriaan al getrouwd. De andere kinderen uit het gezin hebben een normaal bestaan geleid, dus waarschijnlijk zou Adriaan dat ook hebben kunnen doen. Het lijkt er dus op dat hij niet deugde.
Zijn zelfmoordpogingen en het verscheuren van zijn kleren duidt mogelijk ook op een psychische aandoening, Daar mogen psychologen/psychiaters een uitspraak over doen.

Maar het blijft triest, opgehangen worden nog voor dat je 26 wordt.       

Laat een reactie achter